Bij wedstrijdonderdelen waarop clubrecords kunnen worden gevestigd dienen de onderdelen te voldoen aan de door de World Athletics (IAAF) en Atletiekunie gestelde eisen. Dat geldt b.v. voor het gewicht van speer, discus, kogel, hoogte van en afstand tussen de horden, hoogte van de lat bij hoogspringen en het meten van de baanlengte. Ook voor het opmeten van de afstand van wegwedstrijden zijn regels. Lees hier over het officieel opmeten van een wegparcours met de Jones Counter
Parcours meten met de Jones Counter.
Steeds meer hardlopers lopen met een GPS horloge. Na afloop van een wedstrijd denken ze vaak dat de afstand niet klopt. Maar hoe betrouwbaar is je GPS? Iedereen die een navigatiesysteem in zijn auto gebruikt, weet dat zo’n prachtig hulpmiddel soms aardig in de war is en even tijd nodig heeft om weer op het juiste pad te komen. Dat gebeurt ook nu en dan met een GPS horloge en die ‘storingen’ geven dan rare resultaten in de afgelegde afstand. Zelfs zonder storing is de afwijking ongeveer 3 tot 5 meter en dat geeft al een zigzaglijn terwijl je gewoon rechtuit loopt.
Bij de Atletiekunie worden de parcoursen niet met satellietplaatsbepaling gemeten, maar op de fiets met de ‘Jones Counter’. Dat tellertje is tot op de decimeter nauwkeurig (afwijking +/- 0,1%). Het is de enige meetmethode die voldoet aan internationale afspraken (IAAF). Een wereldrecord op de weg wordt alleen erkend als het parcours gecertificeerd is. Een parcoursmeting vindt meestal plaats op verkeersluwe momenten, dus bijvoorbeeld op de vroege zondagochtend. Basis voor de meting is een recht stuk weg in de nabijheid van het te meten parcours. Daar wordt door het Kadaster een ijkbasis (tussen de 300 en 500 meter en tot op de millimeter nauwkeurig) uitgezet. Zowel voor als na een parcoursmeting wordt de ijkbasis 4 keer gefietst. Daarbij worden de begin- en eindstanden van de Jones Counter genoteerd. Het gemiddelde compenseert de
afwijkingen door o.a. slingeren (wind, wegdek), verandering in bandenspanning, temperatuur en wielomtrek. Uit de voorijking komt dan b.v. voor 1 tellertik een waarde van 0,0902 meter.
Daarna begint de echte meting van het parcours. De verantwoordelijke voor het parcours fietst over het uitgezette parcours, op circa 20 meter gevolgd door de eerste parcoursmeter, die de ideale lijn (Shortest Possisible Route) probeert te volgen. Een tweede (en soms ook derde) parcoursmeter rijdt daar ongeveer 10 meter achter om eventueel nog te kunnen corrigeren. Deze stoet wordt beveiligd door verkeersregelaars op de fiets en/of leden van een Motor Begeleiding Team (niet alle automobilisten zijn op zondagmorgen even “wakker”).
Meteen na de meting van het parcours wordt de fiets weer opnieuw geijkt Meestal is de temperatuur weer een aantal graden opgelopen en zijn de banden op temperatuur, waardoor de wielomtrek groter is geworden. De meetresultaten worden ingevoerd in de computer waardoor op een eenduidige wijze de lengte wordt bepaald. Om te voorkomen dat een parcours te kort is, wordt een SCPF (Short Course Prevention Factor) toegepast. Per kilometer wordt 1 meter opgeteld bij de gemeten afstand en de afwijking van de teller volledig gecompenseerd. Het onderlinge verschil tussen de meetresultaten van de parcoursmeters is na afloop meestal kleiner dan 1 meter, om een idee te geven hoe nauwkeurig zo’n meting verloopt.
Op de site van de Atletiekunie is een overzicht te vinden van de gecertificeerde parcoursen.